Tot en met 31 december 2018 kon een eigenaar van een rijksmonument bij Belastingdienst Bureau Monumentenpanden een verzoek voor vaststelling van de onderhoudskosten indienen. Na beoordeling van de plannen gaf dit bureau een verklaring af met daarin het bedrag waarvoor een eigenaar een laagrentende lening bij het Restauratiefonds kon aanvragen.

Met de afschaf van de monumentenaftrek per 1 januari 2019 is dit proces anders georganiseerd. Voordat een Restauratiefonds-hypotheek of Restauratiefondsplus-hypotheek kan worden aangevraagd, laat de eigenaar via het Restauratiefonds de instandhoudingskosten (restauratie en/of onderhoud) bepalen. Op basis van een voorbereid plan en specificatie van de kosten (restauratie en/of onderhoud, overig) door de eigenaar, maken vier gespecialiseerde bouwkundige bureaus objectief inzichtelijk welke kosten volgens de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten subsidiabel zijn. De eigenaar start het proces met het indienen van een ingevuld formulier bij één van de vier bureaus. Hier zijn geen kosten voor de eigenaar aan verbonden. De hoogte van de instandhoudingskosten vormt de grondslag voor de aanvraag van een laagrentende lening bij het Restauratiefonds.

Voor de werkzaamheden waarvoor u de laagrentende lening aanvraagt kunt u geen rijkssubsidie voor instandhouding aanvragen. Afhankelijk van uw situatie kunt u voor verschillende werkzaamheden een lening en subsidie aanvragen om hiermee uw plan haalbaar te maken. Bijvoorbeeld door een laagrentende lening van 100% van de restauratiekosten aan te vragen en een subsidie over de kosten voor klein onderhoud. Het is daarom verstandig om vóór aanvang van de werkzaamheden de afweging tussen een laagrentende lening en subsidie te maken.

Lees meer over het bepalen van de instandhoudingskosten